De omzwervingen van de relieken

Na zijn dood, omstreeks 614, zou Perpetuus zijn begraven in de Sint-Vincentiuskerk van Dinant. Zijn relieken werden later naar de collegiale kerk overgebracht, waar hun aanwezigheid uiterlijk aan het einde van de 11e eeuw is aangetoond. Ze werden verdeeld over verschillende reliekhouders: het lichaam in een grote reliekschrijn, een armbeen in een armreliekhouder en de schedel in een zilveren buste.
In de middeleeuwen waren relieken het heiligste bezit van een kerk, nog kostbaarder dan het goud of zilver dat hen omhulde. Toen de Bourgondiërs Dinant in 1466 plunderden en verwoestten, werden de relieken van de patroonheilige dan ook als buit meegenomen. Ze zouden geleidelijk worden teruggevonden.
In 1671 werd de oude buste vervangen door het exemplaar dat u vandaag ziet, een werk van de edelsmid Philippe Lenoir.
Maar tijdens de Revolutie dreigde opnieuw gevaar. De grote reliekschrijn en de armreliekhouder verdwenen. De buste ontsnapte aan dit lot dankzij twee gemeentearbeiders, de broers Charlot, die haar in hun huis verborgen. Toen zij haar aan de collegiale kerk teruggaven, werd hun daad beloond: generaties lang kregen hun nakomelingen het voorrecht de buste van Sint-Perpetuus te dragen tijdens de grote processies van Dinant.
Deze processies bleven bestaan tot in de jaren 1970 en zetten zo, bijna tot in onze tijd, een eeuwenoude devotie voort.